Schaakvraag van de dag

2. Als iemand schaken heeft geleerd, hoe groot is dan de kans dat hij/zij grootmeester (IGM) kan worden?

Dit is natuurlijk tricky, maar sommigen hebben  geprobeerd dit vraagstuk cijfermatig op te lossen, misschien met een knipoog. Een exercitie van Lee Ballentine van enkele jaren geleden op een schaakforum leverde een kansberekening op van ‘effectief nul procent’. Auw!

Hij ging uit van de volgende gegevens van dat moment. ‘Er zijn 800 miljoen mensen in de wereld die kunnen schaken. Er zijn 1600 actieve grootmeesters’.

Zijn conclusie na cijferwerk: ‘Dat betekent dat  per elke  500.000 schakers er een grootmeester is’.  

Jammer misschien voor velen die dus vergeefs dromen om ooit de hoogste schaaktitel te bereiken? Valt wel mee. Ballentine maakt de groep kandidaten voor het grootmeesterschap veel te groot.

Iemand die een loper van een paard kan onderscheiden en weet hoe een paard springt en de rokade gaat, maar zich verder niet verdiept in openingen, middenspel, tactiek/strategie  en eindspelen zal het immers nooit tot grootmeester schoppen.

Je kunt ook de vraag stellen: als iemand heeft leren lopen, hoe groot is dan de kans dat hij later als atleet de honderd meter binnen 10 seconden kan afleggen? Dat komt  ook neer op een mission impossible.

Beperk de kanshebbers daarom maar liever tot een groep die al ervaring heeft met wedstrijden en toernooien. Ik kom weer uit bij chess-rankings.com die het aantal  spelers met een FIDE-rating naast het aantal grootmeesters per land zet.

Rusland: 34.497 spelers met FIDE-rating, onder wie 236 grootmeesters. Dat ziet er wat kansberekening betreft al minder hopeloos uit voor het behalen van de begeerde titel.

Ook hier springt IJsland er uit: 642 spelers met FIDE-rating, 14 grootmeesters. En wat te denken van China: ‘slechts’ 1575 FIDE-gecertificeerde spelers, maar wel 48 grootmeesters. De cijfers van Nederland volgens chess-rankings.com: 4347 spelers, 36 grootmeesters.

Lastig om te bepalen wat je uit deze cijfers nu wel of niet kunt afleiden. Maar de kans om vanaf een gevorderd niveau grootmeester te worden ligt toch echt wel hoger dan in Ballentine’s  rekensom.   Neemt niet weg dat  de grootmeestertitel slechts voor maar weinig schakers zal zijn weggelegd. Net als de honderd meter in -10 trouwens.

De schaakvraag van morgen:

3.  Hoe zit het met de gender gap, hoeveel vrouwen schaken,  kunnen ze ooit de kloof met de mannen dichten?